Bron: Klik

Bij de NASA wordt hij nog altijd geëerd als een van de zeer groten die de moderne ruimtevaart mede heeft helpen mogelijk maken: Gerard Kuiper. Hoe ontstonden Zon en planeten in de wolk van gas en stof die zonnenevel wordt genoemd, en wat is het verband tussen deze genese en de vorming van andere zonnestelsels? Wat is de aard van de atmosferen en de oppervlakken van de planeten in het hedendaagse zonnestelsel, en hoe zijn ze ontstaan? Dit waren de drijvende intellectuele vragen die Gerard Kuiper inspireerden in zijn leven van observeren en bestuderen van sterrenstelsels en van ons eigen zonnestelsel. Geboren uit ouders zonder opleiding werkte hij zich op tot één van ’s werelds toonaangevende geleerden. 

Deel 2: Een nieuwe Nederlandse ster aan het Amerikaanse firmament

In 1933 arriveerde Kuiper als jonge, super ambitieuze astronoom bij het Lick Observatorium in de Verenigde Staten. Hier zette hij, onder leiding van Aitken, zijn werk aan tweelingsterren voort. Systematisch onderzocht hij van nabije sterren of ze misschien met zijn tweeën waren. Hij had de publicatie van zijn proefschrift vertraagd totdat hij de observatiedata voor tweelingsterren kon verbeteren. Met het observeren van op het oog dubbele sterren en het maken van kleurindexmetingen ontdekte hij talloze tweelingen en veel witte dwergsterren. Kuiper beschouwde zich altijd als een tweelingsterastronoom, en hij werd sterk beïnvloed door Aitken. 

Met betrekking tot dit werk, herinnerde Kuiper in 1971 dat hij in het begin van zijn carrière werd gevraagd om een boek over de oorsprong van het zonnestelsel te beoordelen.

“Het analytische gedeelte van het boek maakte een diepe indruk op me. Het tweede synthetische deel was compleet teleurstellend. Nadat ik de recensie had geschreven, bleef ik met dit probleem worstelen en ik moest concluderen dat de sterrenkunde er nog geen oplossing voor had. Ik besloot een nauw verwant probleem te vinden, dat met een beperkte inspanning zich waarschijnlijk zou lenen voor een oplossing. . . de oorsprong van dubbele sterren.”

Uiteindelijk kon Kuiper wereldkundig maken dat minstens 50 procent van de dichtstbijzijnde sterren tweelingen of meerling systemen zijn. Hij definieerde scherper het verband tussen massa en lichtkracht van sterren. Hij liet zien dat de witte dwergen grote massa’s zijn die afwijken van de empirische wet. Zijn publicatie in 1938 in het astrofysische tijdschrift over de relatie tussen massa en lichtkracht wordt nog steeds beschouwd als een standaardwerk over dit onderwerp.

Hoewel intellectueel stimulerend en productief, waren de twee jaar bij het Lick Observatorium geen onverdeeld succes. Gevoeligheden waren in de kleine, afgelegen bergtop gemeenschap van sterrenkundigen permanent aanwezig. Kuiper werd door sommigen ervaren als getalenteerd maar ietwat uitgesproken en irritant. Hij zou de erfgenaam van Aitken niet worden en in augustus 1935 ging hij voor een jaar naar het Harvard College Observatorium.

In de tijd dat hij in Cambridge aankwam, vatte Kuiper het plan op om naar Java te gaan, om zijn carrière bij het Bosscha-observatorium voort te zetten. Maar opnieuw waren het de emoties die zijn carrière mede bepaalden. In plaats van zijn Java plan uit te voeren ontmoette hij Sarah Parker Fuller met wie hij op 20 juni 1936 in het huwelijksbootje stapte of wie weet wellicht het huwelijksruimtevaartschip. Sarah’s familie had het land geschonken waarop Harvard’s Oak Ridge Observatory is gebouwd. In dat jaar werd hem een positie aangeboden bij het Yerkes Observatorium van de Universiteit van Chicago door directeur Otto Struve. In november 1935 telegrafeerde Kuiper naar Java dat hij niet langer in een betrekking aldaar geïnteresseerd was. Kuiper voelde dat hij een belangrijke bijdrage kon leveren aan de sterrenkunde door naar Yerkes te verhuizen, maar klaagde in een brief aan W. H. Wright van het Lick Observatorium (30 oktober 1935) dat ”. . . het zal een echt offer betekenen dat ik niet naar het mooie en gelukkige eiland Java moet gaan.” Niemand kon toen weten hoe de Japanners een paar jaar later in de Indische Archipel tekeer zouden gaan. Kuiper zou na de invasie aan een verblijf in de Japanse gevangenenkampen niet hebben kunnen ontsnappen.

Het Bosscha Observatorium

Zelfs voordat Kuiper naar Yerkes verhuisde, vroeg Struve hem om zijn advies over zaken zoals de aanstelling van nieuwe senior-medewerkers bij die instelling. In 1936 werd Kuiper aangesteld als assistent professor aan de Universiteit van Chicago. Hij was universitair hoofddocent van 1937 tot 1943 en werd vervolgens benoemd tot hoogleraar.

Kuiper heeft als nieuwe stafsterker bij Yerkes sterk bijgedragen aan wat William Morgan de renaissance van het Observatorium heeft genoemd. Die wedergeboorte werd gestart door Struve, die, als nieuwe directeur vanaf 1932, Gerard Kuiper, Subramanyan Chandrasekhar en Bengt Strömgren aan het personeel toevoegde. William Morgan was daar een afstudeerstudent en werd in 1932 aangesteld als instructeur. Bok heeft opgemerkt dat Kuipers huwelijk en aanstelling bij Yerkes Observatorium in de jaren 1930 en 1940 sterke positieve stimulansen waren voor zijn wetenschappelijke werkzaamheden.

Het Yerkes Observatorium